RECENSIE VERSCHENEN BOEKEN in 2007
In het kader van de herdenking van het 350 jaar bestaan van de trekvaart tussen Haarlem en Leiden verschenen onderstaande twee boeken.
Als iemand die jarenlang de uitgebreide archieven over de trekvaart uitvoerig heeft bestudeerd en geraadpleegd en veel gegevens heeft vastgelegd, kan ik een goed oordeel vormen over de inhoud en de kwaliteit van beide boeken.
TUSSEN TOL EN TREKVAART
350 jaar het monument, het water en de mensen
Haarlem-Leiden
Auteur Miep Smitsloo-de Graaff![]()
Haar man, Menno Smitsloo is projectontwikkelaar en heeft het oude tolhuis aan de Haarlemmer trekvaart onder Oegstgeest uit 1658 en het tolhek uit 1695 enige jaren terug grondig laten restaureren. Een extra reden voor de auteur om haar journalistieke kwaliteiten aan te wenden voor een 136 pagina’s bevattend boek. In het kort wordt daar in de ontstaansgeschiedenis van de trekvaart en de beide tolhuizen verhaald, het vervoer met de trekschuiten, de geschiedenis van het tolrecht en het leven van de tolgaarders, in het bijzonder de laatste tolgaarder. Verder komen mensen uitgebreid aan het woord, die nauw betrokken waren bij het wel en wee van het tolhuis en tenslotte wordt de restauratie uit de doeken gedaan. Een meerwaarde van het boek is dat de historische hoofdstukken zijn voorzien van noten en geraadpleegde bronnen.
Een enkele maal is de auteur te betrappen op onjuistheden. Zo vermeldt ze bijvoorbeeld op blz. 15 ten onrechte dat de vaart alleen voor personenvervoer mocht worden gebruikt. De schippers van de lokale dorpen vervoerden namelijk al vanaf het begin handelsgoederen via de trekvaart naar Haarlem en Leiden, terwijl de veerschippers van Haarlem en Leiden vanaf 1660 toestemming kregen viermaal per week met een marktschuit op en neer te varen.
Ook de vermelding dat de voordeur oorspronkelijk aan de waterkant was gelegen is onjuist. Aan de hand van het bewaarde bestek uit het jaar 1657 is af te leiden dat de toegang tot de woning aan de achterzijde was gelegen.
Jammer is dat ze zich niet meer heeft verdiept in de teksten bij de diverse afbeeldingen. Zo stelt de prent van Samuel Ireland op blz. 23 niet het Huis Halfweg onder Lisse voor, is de foto op blz. 31 rechtsboven niet genomen aan de Leidsevaart, is het afgebeelde huis op porseleinen vaas van omstreeks 1740 op blz. 64 niet en ook niet vermoedelijk het Huis Halfweg en stellen de afbeeldingen op blz. 60 en 65 zeker niet voor de tolhuizen aan de trekvaart Haarlem-Leiden.
Pluspunten zijn: een goede lay-out, leest plezierig en geeft interessante informatie over het enige nog bewaard gebleven tolhuis annex tolhek in Nederland.
BLAUWE ADER VAN DE BOLLENSTREEK
350 Jaar Haarlemmertrekvaart-Leidsevaart1657 - 2007
Geschiedenis, betekenis en toekomst
7 Auteurs
Hoofdcoördinator: Provinciaal Historisch Centrum Erfgoedhuis Zuid-Holland![]()
Het boekwerk wordt bij de eerste uitreiking aan de Commissaris van de Koningin door hem aangeprezen als een boek van hoog niveau! Ach, een Commissaris kan niet overal verstand van hebben. In de Inleiding van het boek heeft de redactie zich al ingedekt door melding te maken dat de bundel niet voorziet in een uitputtende geschiedenis waarin alle data op strikt wetenschappelijke wijze zijn verzameld en geordend.
Het boek is verdeeld in negen artikelen, waarin o.a. aan de orde komen de ontwikkeling in zijn algemeenheid van het trekschuitenvervoer in de 17e eeuw, de geschiedenis van de totstandkoming van de trekvaart en trekweg Haarlem-Leiden en het vervoer van de passagiers, de zogenaamde ‘trekschuitenverhalen’ in de literatuur, het wonen en werken in en om de trekvaart met tevens vermelding van landgoederen en buitenplaatsen, de historie en herstel van het tolhuis onder Oegstgeest en wordt een beschrijving gegeven van een ruim vijf uur durend boottochtje in 2007 met een vletje en buitenboordmotor van Haarlem naar Leiden. Tenslotte komen nog aan de orde de natuur-, milieu- en ecologische aspecten en wordt ingegaan op de toekomst van de trekvaart.
Met name over enkele hoofdstukken in dit boek zijn kritische kanttekeningen te maken.
Het belangrijkste artikel in het boek over de historie van de trekvaart, geschreven door Jan Beenakker. luidt als volgt: ‘Aanleg en beheer van de Haarlemmertrekvaart en Leidsevaart. Een onmooglyk wonder’. Buiten het feit dat dit artikel niets toevoegt aan de al bestaande literatuur over dit onderwerp, archiefonderzoek is door de auteur niet of nauwelijks gedaan, vertoont het artikel onjuistheden, slordigheden en halve onwaarheden.
Om er maar enige onjuistheden te noemen.
Zo wordt ten onrechte melding gemaakt dat de trekschuiten van de veerschippers ook wasgoed van en naar de blekerijen in de streek vervoerden (blz. 26). Dit vervoer geschiedde namelijk door de lokale dorpsschippers.
Onjuist is de opmerking dat de grote achtkante windwatermolen in de Hogeveense polder in Noordwijkerhout verplaatst diende te worden bij de aanleg van de trekvaart in 1657 (blz. 30). Niet is minder waar: de iets noordoostelijk staande kleinere molen in de Lageveense polder werd verplaatst.
Ook volkomen bezijden de waarheid is dat de er in 1657 tien lage bruggen werden gebouwd, zodat alleen trekschuiten en geen vrachtschuiten konden passeren (blz. 31/32). Er was juist sprake van hoge bruggen voorzien van een wulf of toog, waardoor ook vrachtschuiten konden passeren.
Het 'Gemeene Huijs te Halfwegen' is niet gebouwd volgens de op blz. 44 getoonde plattegrond, maar volgens een andere en niet bewaarde tekening van Willem van der Helm. In 1658 is de commissariswoning en de stal gebouwd met een binnenplaats. Bovendien is de 'sael voor de heren' ten onrechte gelezen als zijnde zaal voor de herberg. Op blz. 45 wordt daarom ten onrechte opgemerkt dat in het Huis Halfweg ook sprake zou zijn van een herberg.
Het Huis Halfweg te Lisse zou in 1860 verkocht zijn aan Baron Van Pallandt en vervolgens door hem gesloopt (blz. 46)! Geheel onjuist!. De kopers waren Pieter de Kan, logementhouder, Engel Bakker, landbouwer en Lucas van der Lee, timmerman, allen woonachtig in Noordwijkerhout. Vervolgens sloopten zij nog in hetzelfde jaar de opstallen.
Onjuist is de melding dat in 1843 het aantal passagiers gedaald zou zijn tot onder de 2000 personen (blz. 47). In werkelijkheid bedroeg het aantal vervoerde personen in 1843 meer dan 4600.
Op blz. 41 wordt overigens correct melding gemaakt dat een enkele reis in 1657 elf stuivers kostte. Vervolgens echter wordt opgemerkt dat dit bedrag is samengesteld uit diverse componenten en komt de auteur uit op twaalf stuivers en tien penningen, terwijl overigens de benoeming van de componenten onjuist is! En zo kunnen nog wel veel meer slordigheden en halve onwaarheden worden opgenoemd. Al met al wel storend veel op slechts acht pagina’s tekst.!
Totaal onbelicht blijven de aspecten van het goederen- en passagiersvervoer door de lokale schippers van de tien langs de trekvaart liggende dorpen en de impulsen voor de werkgelegenheid en de lokale economie, al vanaf de opening van de trekvaart in 1657. Hoewel een kopje op blz. 41 anders doet vermoeden, wordt er in het geheel geen woord gerept over het aspect van het onderhoud van de trekvaart en het jaagpad, zoals het om de zoveel jaren uitdiepen van de vaart, het vervangen van bruggen, het vervangen van beschoeiingen, het jaarlijks bepuinen van het jaagpad, de jaarlijkse onderhoudskosten aan de opstallen enz. Er zijn jaren van meer dan 15.000 gulden aan exploitatiekosten! Ook het aspect van ontvangen ‘recognities’, een vergoeding voor het verkrijgen van rechten of gebruik van de grond langs de trekvaart of het water van de beide steden, van met name door eigenaren van buitenplaatsen en landgoederen, met overigens interessante gegevens, wordt niet aan de orde gesteld. Verder wordt in het boek in het geheel geen aandacht geschonken aan de twee wijzigingen van de loop van de trekvaart, te weten bij het tolhek in Oegstgeest en bij de houtzaagmolen De Herder onder Leiden en de vele aangebrachte extra bruggen over de vaart en in de trekweg met de vele nieuwe extra gegraven vaarten en sloten, uitkomend op de trekvaart.
Jammer is voorts dat het hoofdstuk over reisverhalen, geschreven door Carly Misset, begint met de totaal negatieve beleving van het reizen met de trekschuit door Nicolaas Beets in 1834 en niet begint met de 17e en 18e eeuwse positieve reisbeschrijvingen, die er zo vele te vinden zijn in de Koninklijke Bibliotheek. Storend zijn voorts de ‘opgeleukte’ historische prenten (o.a. blz. 22, 32 en 45), die een onwerkelijk aandoende kleurbalans hebben meegekregen. Niet onvermeld mag blijven dat de tekst bij de foto met de rolpaal op blz. 17 onjuist is, dat de tekening op blz. 99 niet van Hermanus Petrus Schouten is, maar van Hendrik Tavenier en dat de bovenste foto op blz. 102 van het buurtschap Halfweg te Lisse in spiegelbeeld is afgedrukt.
Een gemis is voorts dat niet bij elk hoofdstuk melding is gemaakt van de geraadpleegde bronnen en literatuur.
Rest nog op te merken dat het 160 pagina’s tellend boekwerk voor 50% bestaat uit prenten, tekeningen, kaarten en foto’s en voor slechts 50% uit tekst. Dat is erg magertjes. Het Provinciaal Historisch Centrum Erfgoedhuis Zuid-Holland is meer dan tien jaar geleden er op geattendeerd dat er in 2007 een jubileum viel te vieren. Er is meer dan tijd genoeg geweest om een echt wetenschappelijk historisch getint herdenkingsboek op de markt te brengen.
Rest overigens wel een compliment te maken voor degenen de zoveel prachtige prenten, tekeningen, oude kaarten en foto’s boven water hebben weten te krijgen. Voorts een compliment voor de bedenker(s) van een dergelijk passende naam van het boek.
De 'Blauwe Ader van de Bollenstreek' had echter een beter lot verdiend.

