Trekvaart Haarlem Leiden

Oud(e) Halfweggers vertellen........

E-mail Print

OUD(E) HALFWEGGERS VERTELLEN…………


TOELICHTING

De bedoeling van dit onderdeel van de website is om herinneringen van vroeger op te halen en voor het nageslacht vast te leggen en te bewaren.

In de 20e eeuw is er enorm veel veranderd. Begin 1900 zagen de Halfweggers de eerste auto’s langskomen, de eerste vliegtuigen overvliegen, stapten ze voor het eerst op de fiets, werd er voor de eerste keer met de trein gereisd, zagen ze meneer pastoor nog langskomen, hoorden ze de eerste radio spelen, kregen ze voor de eerste keer gas, licht en water, televisie- en telefoonaansluiting en ga zo maar door.
Onderstaand een greep uit mogelijke onderwerpen, die zich lenen voor een artikel op deze website:

• Hoe leefden, woonden en werkten de Halfweggers?
• Hoe kwam Halfweg de oorlog ‘40- ’45 door?
• Hoe verdienden de Halfweggers hun brood?
• Hoe deden de Halfweggers  boodschappen?
• Hoe en waar gingen de jonge Halfweggers naar school?
• Hoe vermaakten de jongere Halfweggers zich?
• Hoe brachten de Halfweggers de winteravonden door?
• De gebruiken en gewoonten van Halfweggers?
• Wat voor kost aten de Halfweggers?
• Welke hobbies hadden de Halfweggers?
• Welke bijzondere voorvallen hebben zich voorgedaan op Halfweg?
• Welke bijzondere Halfweggers waren er?
• Welke leuke Halfwegse anekdotes zijn er te vertellen?
• Enz. enz.

Als u over deze onderwerpen iets weet te vertellen, dan wil ik u graag ontmoeten.
Als u zelf over een bepaald onderwerp een verhaal wilt schrijven en op deze website wilt plaatsen is dit natuulijk ook mogelijk.
U kunt mij bereiken via het e-mailadres: This e-mail address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it t.a.v. Aad van Kampen


Dit is het eerste artikel uit de reeks:

OUD(E) HALFWEGGERS VERTELLEN…………


De winters van vroeger en het schaatsplezier op en rond Halfweg

door: Aad M. van Kampen

Op Halfweg zijn we begenadigd met veel vaarten en sloten. Vroeger, we praten over de periode 1940 t/m 1965 van de vorige eeuw, waren er heel wat jaren dat het ijs wel één of meerdere dagen voldoende sterk was om de gladde ijzers onder te binden. Zodra je als kind op Halfweg kon lopen, werden gelijk ook de eerstkomende winter de schaatsen onder gebonden. Kinderen op Halfweg kunnen zich volgens mij ook niet meer herinneren dat ze ooit hebben leren schaatsen. In de wieg maakten ze al schaatsende bewegingen. Ze konden het gewoon.

 
Sneeuwfoto circa 1950.
Op de voorgrond Peter Vrijburg, daar achter Nico Zoet en Ursela van Graven en rechts Manfred van Graven. Op de achtergrond is de oude herberg nog te zien en het transformatorhuisje.

 


Type schaatsen

De gebruikte schaatsen waren meestal van vóór de oorlog. Al je familieleden hadden er al op geschaatst. Mijn schaatsen waren in ieder geval knap oud. Ze waren voorzien van een schitterende brede krul. Met een verhitte ijzeren staaf was er een grote R en een L ingebrand, anders wist je niet wat links of rechts was. De clou was om de schaatsen met veters of schaatsbanden zo strak mogelijk onder je schoenen of laarzen zien vast te binden. De ellende was altijd dat ze naar gevoel altijd te strak of te los zaten. Vervolgens werd er overgestapt op Friese doorlopers en daarna op houten noren . De ijzeren noren, met name het merk Ballingrud, werden eerst echt populair in de strenge winter van 1956. Zo’n paar schaatsen kostte in die tijd maar liefst f 90 en werden eigenlijk nog alleen maar gekocht door echte wedstrijdschaatsers. Met name de jongens van Kaptein van de Delfweg en de ‘Vrijburgies’ van de vaart waren heel rap en wonnen wel eens een kortebaanwedstrijd, georganiseerd door een schaatsbaanvereniging in de omgeving.
De jongere meisjes vermaakten zich meestal eerst op blokzijlers en vervolgens op houten draaiers van de firma Nooitgedagt. Wilden ze vervolgens op vrijersvoeten gaan dan was het zaak een mannelijke partner te vinden, die ook de kunst machtig was, om samen zwierend hand in hand van de ene kant van de sloot naar de andere kant over het ijs te schaatsen. Met name waren dit de Halfwegse jongeren, die nog vóór de 2e wereldoorlog waren geboren. De ijstijd, zowel als de kermistijd, waren bij uitstek geschikt om een verkering te vinden. Maar het was ook wel oppassen geblazen. Je kon je ook op te glad ijs begeven en dan was een blauwtje gauw opgelopen, zeker als je ook nog eens plat op je bek op het ijs viel.

De schaatsrouten rond Halfweg
Allereerst werd de tochtsloot achter de huizen tegen het land van Arie Wijnands aan getest op sterkte. Dat gebeurde al na twee of drie dagen vorst.  Na een dag of drie dag en voldoende sterkte was de hele Halfwegse jeugd te vinden op de sloot. Op de zondagmiddag kwamen ook de opgroeiende jongeren en sommige ouders. Hield de vorst aan, dan verplaatsen met name de oudere kinderen hun ijsplezier. Via een klein slootje door het weiland van boer Smit werden de tochtsloten in de Zilkerpolder, beginnend bij boer Rotteveel bereikt. Vandaar uit konden langere tochten gemaakt worden en kon ook met name de schulpsloot bereikt worden met de stomp van de in 1948 afgebrande molen.

De kinderen die in de Zilk op school zaten, te noemen zijn de Dobbens (wonende aan de Haarlemmer Trekvaart te Noordwijkerhout, iets over de in de volksmond zo genoemde Palmbrug  ) de Wijnandsen en de Van Kampens, gingen in plaats via de Delfweg en de Zilkerbinnenweg naar school, nu dwars door de Zilkerpolder, alle sloten nu passerend over het ijs. 


Winter 1961/962Op de voorgrond links vermoedelijk de kinderen van Dirk de Klerk en Henk van den Bosch. Er moet sprake zijn geweest van een strenge winter, want de vaart is niet open gebroken geweest.


 
Winter 1961/1962. Grootste meisje is Martine v/d Oetelaar. Wie zijn de anderen?

Als de vorst aanhield kreeg vervolgens de barmsloot de voorkeur. Deze sloot, parallel lopend aan het spoor, begon in het noorden bij de spoorbrug, waar de zandsloot naar Keukenhof en de Ringvaart onder door liep en eindigde bij de Mallegatsspoorbrug, waar de Mallegatssloot naar De Engel begon. Ook werd er nog volop op de vijvers geschaatst van het Keukenhofpark, voordat  het in 1949 als bloementuin werd ingericht. Maar met name op deze barmsloot was het altijd een drukte van belang. Veel schaatsliefhebbers uit het dorp Lisse, maar ook uit Noordwijkerhout zochten dit ijs op. Met regelmaat vertrok er een schaatstreintje met schaatsfanaten vanaf de brug aan de Stationsweg richting de zijsloot naar boer Van Noort aan de Loosterweg.



Winter 1963/1964.
Als in een bliksemschicht gaat de Halfwegger Piet van Kampen in een vloeiende beweging beentje over in de bocht naar de Zandsloot, richting Barmsloot.
Op de achtergrond in het midden van de foto is nog de oude (inmiddels gesloopte) woning te zien van de drie Pijpies (de drie gebroeders Langeveld).


Koek- en zopie tent
Als er sprake was van een echte strenge winter was het schaatsfeest helemaal compleet. Dan kon ook geschaatst worden op de Leidsevaart. Vooral in de oorlogsjaren ’40-’45 waren er strenge en koude winters en werd er veel op de vaart geschaatst. Bij Piet van Tol op huisnummer 9 en bij Dirk van Kampen op huisnummer 14 kon je chocolademelk, anijsmelk, ijsmoppen of erwetensoep kopen. Ook werd er bij sneeuwval op de vaart gezamenlijk een ijsbaan gemaakt. Opstaande ijsschotsen en ijsranden werden door middel van een heuse ijsschoffel weggeschoffeld en weggehakt.

IJsbreker
De steenfabriek Arnoud uit Hillegom, later genoemd Van Herwaarden, had in verband met de zandtransporten via de trekvaart er grote baat bij de vaarroute zo lang mogelijk open te houden.
Bij een snel invallende vorst had de ijsbreker geen kracht genoeg om het ijs te breken. Bij een geleidelijk invallende winter wel. Wij, als jeugd, werden behoorlijk ‘pissig’ als deze ijsbreker van de Arnoud werd ingezet. De scheldwoorden aan het ades van de kapitein van de sleepboot waren niet van de lucht en sommigen van ons hadden het lef om zelfs vlak voor de ijsbreker op het ijs te gaan staan. Maar spectaculair om de ijsbreker aan de gang te zien was het zeker.
Tot in de oorlogsjaren 1940-1945 was er nog sprake van een stoomsleepboot Als deze sleepboot, met achter zich een tiental zandbakken, bij de houten Halfwegbrug aankwam, moest de schoorsteen omlaag om er onderdoor te kunnen. De lol was dan om van de brug af een grote hoeveelheid sneeuwballen in het dan zichtbare vuur te gooien. De scheldwoorden kwamen toen van de kant van de kapitein.

 
De ijsschaatstocht in 1888 over de Leidse trekvaart.
Voorloper van de Elfstedentocht.

In het Haarlems Dagblad verscheen op 29 februari 1888 een advertentie, waarin de IJslub voor Haarlem em omstreken aankondigde op 1 maart een internationale ijswedstrijd te zullen houden over een afstand van 29 km. De start was aan de Prins Hendrikbrug in Haarlem en de finish aan de Marepoort in Leiden.  Totaal dertien schaatsers gingen er van start. Alleen bij het gebouw van de Waterleidingduinen waren er wakken  in het ijs en diende er gekleund te worden In een tijd van 1 uur 6 minuten en 15 seconden werd Klaas Pander winnaar, vóór de bekende Haarlemse sporter Pim Mulier, die als 2e eindigde.  Deze Klaas Pander was de ontdekker en trainer van de later zo beroemde schaatser en wielrenner Jaap Eden.

In de afgelopen 20e eeuw zijn er vijftien elfstedentochten verreden. In de 2e kwart van de eeuw (1926 t/m 1950) werden zes tochten verreden en in elk der overige kwarteeuwen slechts drie tochten. Dit is ook de reden dat de oudere mensen, geboren tussen 1925 en 1950, er steeds maar over beginnen dat het vroeger veel  kouder was en zo hard vroor. In januari 1942 vroor het maar liefst 24,8 graden.

Winterkou
In onze tijd hadden we uiteraard geen dubbele ramen, was er geen isolatie en hadden we geen C.V. op de kamer. Als je ‘s-morgens je bed uitkwam, stonden bij stevige vorst de bloemen op de ramen. Deze ontstonden door de grote luchtvochtigheid. Het vroor in de slaapkamer net zo hard als buiten. Soms lag je te rillen van de kou in je bed en kreeg je als extra verwarming van die zware legerjassen over de dekens gegooid. Als er een sneeuwstorm was, kon je de sneeuw ‘s-morgens op je slaapkamer vinden of op de overloop. De sneeuw drong gewoon onder dakpannen door en door de kieren van het dakbeschot. De enige verwarming was de kolenkachel in de huiskamer.
Door de vele ervaring, mede ook afhankelijk van het type kachel en kolen (anthraciet), was moeder des huizes meestal in staat de kachtel ook ’s-nachts op een heel laag pitje brandend te houden. Als het niet lukte, was ze ’s-morgens, soms al om zes uur, in de weer om met houtblokjes en krantenpapier de kachel weer ‘aan de praat’ te krijgen. Het eerst wat je deed als je beneden kwam, was rond de warme kachel te gaan staan en je opwarmen. Gebreide wanten en oorwarmers zorgden er buiten voor dat de winterkou een beetje te harden viel. Voor koude voeten waren klompen, gevuld met stro, ideale opwarmers.



Houten schaats met ijzer uit de 15e eeuw, gevonden in een gedempt deel van de gracht rond het Haagse Binnenhof.
Tot de 14e eeuw schaatste men nog op zogenaamde ‘glissen’. Dit waren gladgemaakte botten, waarbij door middel van prikstokken vaart werd gemaakt. Bekend is het verhaal van het meisje Liduina uit Schiedam, dat in 1395 schaatsend een zware val op het ijs maakte, invalide werd en later heilig werd verklaard.


Ander ijs- en sneeuwvermaak
Bij sneeuwval was het als kind naast het gebruikelijke sneeuwballengooien en sneeuwpoppenmaken, ook sport een lange glijbaan bij de Halfwegse brug te maken. Dit vanwege de aflopende helling. Ook schroomden we niet om onze slee met een touw vast te haken aan de autobumper van de spaarzaam voorbijkomende auto’s. Bij flinke sneeuwval togen we ook naar de hoge berg tegenover de huizen op het ‘Witte Hoogie’ bij de ingang naar het kasteel Keukenhof om daar met volle vaart van af te sleeën.

Als de ijsperiode door dooi ten einde liep, was het voor met name de waaghalzen weer feest. Het was een ware kunst om van de ene schots op de andere schots springend, de overkant van de sloot te halen, het zogenaamde ‘ijssiebommen’. In hun jonge jaren haalden de meeste Halfwegse jongeren menig natte voetje en soms een heel nat pak. Het kon de pret, zelfs niet met het uitzicht op straf thuis, niet drukken.

 Sommige oudere Halfweggers kunnen zich nog herinneren dat hun vaders van de nood een deugd maakten door wat paling te verschalken.
Hierbij werd een gat in het ijs gemaakt. Vervolgens werd er een nacht lang een takkenbos in gehangen en de volgende morgen er snel uitgetrokken en op het ijs gegooid. Succes verzekerd! De tussen de takken gekropen palingen lagen voor het oprapen.


Winter 2007/2008.
Gezicht op de Halfwegbrug.

Tot slot.
Terwijl de laatste twee winters in 2009 en 2010 toch aardig koud waren met veel sneeuw en ijs, vinden oudere Halfweggers nog steeds dat de winters vroeger veel kouder en veel strenger waren. Maar ach dat vonden hun ouders en grootouders ook al! Of hadden ze misschien toch wel een beetje gelijk?

Met dank voor de bijdragen aan dit artikel aan de families Van Kampen, Vrijburg, en Wijnands en aan degenen die foto's ter beschikking hebben gesteld.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 

 

Last Updated on Wed, 11-Aug-10 21:21