| Pagina index |
|---|
| Het graven van de trekvaart, een hoogstandje in 1657 |
| Werkmethode |
| Huis Halfweg |
| Alle Pagina's |
HET GRAVEN VAN DE TREKVAART HAARLEM - LEIDEN. EEN HOOGSTANDJE IN 1657.
A.M. van Kampen
(Dit artikel is eerder gepubliceerd in 2001 in het boek ‘De Duin- en Bollenstreek in ‘caert’ gebracht’. In dit artikel zijn enkele kleine wijzigingen aangebracht.)
Op 25 april 1656 werd door de landmeters Andries van der Walle en Joris Gerstecoren, landmeters van de steden Haarlem en Leiden op de hoek van de ‘cromme vaert bewesten Lis omtrent een hondt en vijftigh roede besuyden de Delff, een paal van elzenhout in de grond gestoken. Als eerste baken in het landschap zal deze paal het halfscheid gaan markeren van de nieuw te maken trekvaart en trekweg tussen de steden Haarlem en Leiden.
Op 6 april 1656 verleenden de Staten van Holland en West-Friesland octrooi op een ingediend verzoek van de beide steden om volgens een door de beide landmeters ontworpen plan te ‘graeven ende te schieten een trekvaert ende te maecken een treckwegh ende de ringsloot daar neffens’.
Er werd zeer voortvarend te werk gegaan.
Nadat eind april was begonnen met het veldwerk, voltooiden de beide landmeters in juni 1656 eerst een uit drie delen bestaande grondkaart van het gehele project. Daarnaast werd een lijst opgesteld van in totaal 425 genummerde percelen, die doorsneden zouden worden door de nieuw te graven trekvaart en de trekweg, met de namen van de eigenaren, Het Hoogheemraadschap van Rijnland kreeg vervolgens tot taak de onteigeningsprocedure op te starten en de waarde van de te onteigenen gronden te bepalen. Daartoe werden de eigenaren van de percelen verzocht om op 12 juni, 14 en 20 juni 1656 op hun percelen aanwezig te zijn om nadere toelichting te verkrijgen over de voorgenomen plannen en om hun eventuele grieven kenbaar te maken, waarna zij vervolgens in de gelegenheid werden gesteld de resterende grieven binnen veertien dagen op schrift te stellen.
Bezwaren
De enorme hoeveelheid ingekomen bezwaarschriften toonde eens te meer aan hoe de eigenaars van de getroffen percelen in de zeventiende eeuw deze aantasting van hun eigendom ervaarden. Ook de vele reacties van de diverse polderbesturen en ambachtsheren van de polders en de dorpen gelegen tussen Haarlem en Leiden gaven aan dat er sprake was van een niet eerder vertoonde ingrijpende verandering van infrastructurele aard. De grieven richtten zich o.a. tegen de loop van de geplande trekvaart, de ligging van de trekweg aan de oostzijde van de vaart, de plaats van bruggen, de waardeverminderingen van de afgesneden of resterende gronden, etc. Er werd serieus op ingegaan. In december 1656 leidde dit tot een 40-tal nieuwe detailkaarten, waar op een aantal essentiële veranderingen werden aangebracht ten opzichte van de grondkaart van juni 1656. Een van de veranderingen bestond hierin dat de ligging van het trekpad of trekweg op sommige gedeelten naar de andere zijde van de vaart verhuisde. De weg tussen de Margrietenbrug en de Beekbrug onder Hillegom werd nu geprojecteerd aan de oostzijde, terwijl de weg tussen de Beekbrug en de ’sGravendamse brug veranderde van de oostzijde naar de westzijde. Bij de Voorhoutse brug vervolgde de weg nu haar route aan de andere kant, terwijl op de grondkaart van juni 1656 eerst bij de nieuw te maken weg over de Broekweg onder Leiden de weg naar de andere zijde werd geleid.
Verder had men besloten af te zien om de nieuwe vaart vanaf ’sGravendam onder Noordwijkerhout in een geheel rechte lijn te graven op de Hogeveense molen. De nieuwe trekvaart zou nu na enkele honderden meters, voorbij Puijckendam (de huidige Pilarenlaan), zoveel mogelijk de loop van de oude ‘lange vaertwech’ volgen naar de molen. Hiermede werd onder meer bereikt dat de juist enige jaren tevoren aangebrachte bepoldering van de Hogeveense polder in stand kon blijven en bovendien de stenen brug over de oude Mallegatsloot in de oude vaartweg haar functie kon blijven behouden. In later jaren zou overigens deze brug toch verdwijnen en zou ten behoeve van de rechtstreekse aansluiting van de Schippersvaart op de Haarlemmer trekvaart een nieuwe brug worden aangelegd. Op de grondkaart van juni 1656 was het verdere gedeelte van de nieuwe trekvaart en trekpad vanaf de molen tot aan de ‘cromme vaert’ onder Lisse reeds ingetekend op ongeveer dezelfde plaats van de oude weg met de daarnaast gelegen tochtsloten.
De cromme vaert onder Lisse
De ‘cromme vaert’ ontleende haar naam aan de kromming die de vaart langs de lange vaartweg onder Lisse maakte. Na de eerste haakse kromming westwaarts boog de vaart na ongeveer honderd meter weer noordwaarts en sloot aan op de Delfweg. Van oudsher markeert deze vaart de scheiding tussen de gemeente Noordwijkerhout en Lisse en valt te verklaren waarom het buurtschap met de onoffiële naam Halfweg tot het grondgebied van Lisse behoort. Zoals in de aanhef van dit artikel is vermeld werd op hoek van deze ‘cromme vaert’ aan de oostzijde een baken gesteld om het halfscheid te markeren tussen de beide steden. De naam Halfweg was hiermede in de volksmond geboren. In 1820 plaatsten de beide steden aan de westzijde van de trekvaart op de hoek van deze ‘cromme vaert’ ter aandenking aan dit baken een stenen paal. De gemeente Lisse vervolgens heeft op verzoek van de auteur van dit artikel haar welwillende medewerking verleend in 1999 een ANWB tekstbord bij deze paal te plaatsen.
Vanaf de hoek waar de paal en dit bord zijn geplaatst, is de oude vaart met de oude vaartweg nog steeds te zien. Aan de Delfweg, waar deze vaartweg op uitmondde, draagt een pad wat hier loopt nog steeds de naam ‘Houtvesterslaantje’. De naam is ontleend aan het feit dat de houtvester Johan van den Kerckhove, wonende op het huijs Teijlingen in Voorhout onder Sassenheim en in die tijd een man van aanzien, het eigendomsrecht van de oude vaart met de oude weg namens de Staten van Holland en West-Friesland uitoefende. Hij ontving uit dien hoofde in 1657 ‘ende langh voorheenen bij verhuijringen jaerlijcx xlii (42) gulden’. Uit oude akten weten we inmiddels hetgeen onder ‘langh voorheenen’ verstaan kan worden. In 1399 verkreeg Gheryt van Heemskerck, houtvester van Haarlemmerhout het eigendom van de veengronden tussen de ‘Grietenbrugge’ (onder Hillegom) en de ‘Gravewech’ (onder Vogelenzang) en in 1400 werd hem consent verleend om door deze veengronden een watering van twee roeden te delven. Naar alle waarschijnlijkheid is kort daarna, begin 15e eeuw, ook consent is verleend om vanaf het punt Margrietenbrug zuidwaarts een watering te graven richting de ‘s-Gravendamseweg in Noordwijkerhout.
![]()
Kaart van december 1656. Gedeelte van de de trekvaart en trekweg bij de Delfweg onder Lisse. Links onder bij de kromming van de oude vaartweg werd het eerste baken, op de kaart genummerd 38, gesteld als halfscheid halverwege de steden Haarlem en Leiden. Ter hoogte van dit punt staat aan de westzijde van de vaart langs de trekweg de zogenaamde halfscheidpaal Halfweg met het ANWB-bord. Aan de rechterkant loopt schuin omhoog de Delfweg. (Oud archief Hoogheemraadschap van Rijnland, kaart nr. A 4659)
Onteigening gronden
Nadat aan de meest gegronde bezwaren was tegemoetgekomen, kwam het Hoogheemraad van Rijnland toe een waarde toe te kennen aan de uiteindelijk te onteigenen gronden. Bij de besprekingen en onderhandelingen met de grondeigenaren was bij het Hoogheemraad het vermoeden gerezen dat sommigen van hen voorwendden bij de eigendomsverkrijging een hogere koopprijs betaald te hebben dan in werkelijkheid om daardoor een hogere taxatieprijs in de wacht te kunnen slepen. Om dit te voorkomen werden de secretarissen van de diverse dorpen verzocht een extract uit hun protocollen te overhandigen, waaruit viel af te leiden wanneer en voor welke prijzen de te onteigenen gronden waren aangeschaft.
Op 1 maart 1657 werd de definitieve taxatie uitgebracht, op basis waarvan de ‘cooppenningen’ werden voldaan. Er werd een lijst opgesteld met de namen van de verkopers, de perceelsnummers met de grootte, de prijs per roede en de totale verkoopsom. De prijzen voor de circa 425 perceelsnummers varieerden van acht guldens per roede voor de warmoeslanden onder Leiden, één gulden en dertien stuivers per roede voor wei- en hooiland, dertien tot zestien stuivers per roede voor weiland in de polders tot 10 stuivers per roede voor weiland in de polder met meer ‘cattestaert’ als gras. De aanschafkosten van de gronden voor de perceelsnummers 1 t/m 237 kostte de stad Leiden in totaal 51.155 gulden en de stad Haarlem voor de perceelsnummers 238 t/m 425 in totaal 80.012 gulden. Deze kosten moeten zijn tegengevallen, want in een opgesteld “verbael van besoingens” van 28 en 29 augustus 1655 hadden de beide landmeters deze uitgaven geschat op 54.937 gulden respectievelijk 63.750 gulden.![]()
Kaart van december 1656. De trekvaart en trekweg onder Noordwijkerhout. In het midden loopt van boven naar beneden de huidige Gravendamseweg. Hier zal een brug worden gebouwd, later genoemd Piet Gijzenbrug. De vermelde onteigende percelen grond zijn perceelnr. 172 van Pieter Heijndrixcsz., nr. 173 van de Graven van Holland, de ’s-Gravendam, nr. 174 van de weduwe van Jan Ysbrantsz. en nr. 176 van Cornelis Ysbrantsz.
Goed te zien aan de rechterzijde is de iets schuin naar boven lopende oude vaartweg richting de Delfweg naar Lisse met de oude veenwatering uit het begin van 15 e eeuw. Aan de linkerzijde van de Gravendamseweg is de nieuwe trekweg precies geprojecteerd op de oude Swethweg met aan de westzijde de Swethwatering met de daar op lozende veensloten. (Oud archief Hoogheemraadschap van Rijnland, kaart .nr. A 4653)Piet Gijzenbrug

Links een foto van de Piet Gijzenbrug met op de achtergrond het huidige restaurant, vroeger de herberg van Piet Gijs genoemd. In het jaar 1666 wordt aan Piet(er) Gijsbertsz., afkomstig uit het dorp Noordwijkerhout, toegestaan om op de grond behorende aan de beide steden, een herberg te bouwen. De naam ‘Piet Gijzenbrug' is hier aan ontleend. (Foto 2007)
De beide steden waren op 18 april 1656 overeengekomen dat elke stad tot aan het ‘halfscheid’ in Lisse de kooppenningen van de te onteigenen percelen en de aanlegkosten van de trekvaart voor haar eigen rekening zou nemen. Daarentegen zouden de aanlegkosten van de bruggen, de aanschafkosten van de gronden in Lisse en de daarop te bouwen opstallen voor gemeenschappelijke rekening komen. De inkomsten uit de exploitatie van de trekvaart en trekweg zouden door twee worden gedeeld.
Aanbesteding van het graven van de trekvaart
Ten behoeve van de aanbesteding van het graven van de trekvaart, de trekweg en de ring- of scheijsloot werd in de vorm van een gedrukt boekwerk een zeer uitvoerig bestek opgesteld met maar liefst 47 artikelen met vermelding van 49 werken ofwel ‘parcken van minder ofte meerder lengte als hondert roeden’. De aannemers waren gehouden niet later met hun werkzaamheden te beginnen dan op 15 maart 1657 en hun werk binnen vier maanden op te leveren, in ieder geval uiterlijk 31 juli 1657. Zij dienden zelf zorg te dragen voor ‘schoppen, spaden, deelen, schuyten, pramen, molens so de selve van nooden sijn, mitsgaders ’t houtwerck totte dammen, oock haer bier ende den impost ende exchijns van dien’. De vaart diende een breedte te hebben van vijf rijnlandse roeden (18,84 m.) en diep acht voeten (2,51 m.), de trekweg een breedte van 21 voeten (6.59 m), terwijl de ring- of scheijsloot een breedte diende te hebben van 12 voeten (3,77 m.). Tesamen met de ‘barmte’ tussen de vaart en de weg en de vaart en scheijsloot, alsmede met de kade aan de overzijde van de vaart, was in totaal een breedte gemoeid van maar liefst bijna 39 meter grond.
De aanbestedingen van de ‘parcken’ vond plaats op 27 februari 1657 in de Nieuwe Doelen te Haarlem, met uitzondering van de werken nrs. 1 t/m 3, beginnende aan de Singel in Leiden, welke op 10 februari 1657 in Leiden reeds waren aanbesteed. De werken onder de nrs. 32 t/m 36 en gelegen in de duinen onder Hillegom en de Vogelenzang met een totale lengte van 325 roeden (ruim 1200 meter) behoefden niet meer aanbesteed te worden. Op 22 september 1656 had Jacob Stein, commissaris van de trekvaart voor de stad Haarlem, aan zijn collega in Leiden schriftelijk medegedeeld dat op toekomende dinsdag de stad Haarlem reeds een aanvang zou nemen met het afzanden der duinen tot op het meerwater ten behoeve van de trekvaart, gelegen tussen het Qualaantje en de Margrietenlaan. Blijkbaar voorzag de stad Haarlem dat het afgraven der duinen een tijdrovend werk zou zijn en om niet in tijdnood te komen besloot men de werkzaamheden eerder te beginnen.
Van de te besteden 44 ‘parcken’ werden naar verhouding slechts een gering aantal aanbesteed aan plaatselijke aannemers. De in Voorhout gesitueerde parcken nummer 8, lang 100 roeden en nummer 9, lang 70 roeden, werden aanbesteed aan Jan Thonis van Leiden voor 27 gulden respectievelijk 22 gulden per roede; parcknummer 10, nabij de oude Knipbrug in Voorhout, lang 200 roeden, werd als zijnde de laagste aanbieders toebedeeld aan Jan Clase van Haarlem, tesamen met Jacob Cornelisz. van Benthuizen en Jan Crijnen van Heemstede voor de prijs van negentien gulden per roede, terwijl de parcknummers 19 en 20, onder Noordwijkerhout tegen Lisse aan, beiden lang 150 roeden werden aanbesteed aan Cornelis Pieterse van Outshoorn van Oegstgeest voor de prijs van 22 gulden respectievelijk zeventien gulden. Van de overige parcken nam de aannemer Jan Hendrickse van Amsterdam zelfs zes werken gelegen onder Haarlem aan, maar de meesten aannemers, waarvan er opmerkelijk veel afkomstig waren uit Brabant, namen slechts één werk voor hun rekening.
Aan het einde van de opleveringsperiode in juli en augustus vond controle plaats of de aannemers zich gehouden aan alle bestekvoorwaarden. Aan de gemaakte aantekeningen op het bestek is af te leiden dat er op de verschilllende datums zeer serieus werd gecontroleerd en met name aan de diepte van de vaart schortte het nog al eens. Dit resulteerde in een korting op de aanneemsom, waarbij in acht gevallen zelfs de werken opnieuw werden aanbesteed als zijnde ‘bestedinge van een onvoltrocken werck’. Zo werd partij nummer 26, gelegen ten zuiden van de Beekbrug onder Hillegom ten huize van Adriaen Cornelisse, biersteecker en wonend aan de Beekbrug, nog op 8 september 1657 opnieuw aanbesteed om de diepte van de vaart op het juiste peil te brengen.
![]()
Kaart van december 1656. De trekvaart en trekweg in de Hogeveense polder onder Noordwijkerhout en de Lageveense polder onder Lisse. Ingetekend staan de in circa 1655 gebouwde molen van de Grote Veenpolder (later genoemd Hogeveense polder) en de in circa 1651 gebouwde molen in de Kleine Veenpolder (later genoemd de Lageveense polder). De molen van de Kleine Veenpolder staat hier nog ingetekend op de oude plek, waar het trekpad zou komen te lopen maar zou verplaatst worden naar de overzijde van de nieuwe trekvaart. Door de aanleg van de spoorlijn in 1842 zou de molen andermaal een tiental meters achterwaarts worden geplaatst. Op het bovenste gedeelte zijn de dwarssloten van de Groote of Hogeveense polder te zien, die aansluiten op de watering die langs de oude vaartweg loopt. De naam van de (oude) “vaert weg” is ook aangegeven en links op de kaart genummerd met nr. 204. Verder zijn te zien de bakens nr. 34 en 35 en de ½ bakens. Zo diende de aannemer Cornelis Pieterse van Outshoorn van Oegstgeest parck 19 te beginnen aan het baken nr. 34, getekend met de letter k en te eindigen aan het halfbaken nr. 35½. staande in de sloot tussen de elstakker van Pieter Cornelisz. en het land van Pieter Six op de kaart getekend nrs. 215 en 216. De afstand tussen de bakens bedroeg exact 100 roeden en de lengte van parck 19 bedroeg derhalve 150 roeden. Verder is te zien dat ook aan de oostkant van de oude vaartweg een watering liep, waarop de dwarssloten van de Kleine of Lageveense polder op aansloten. Aangegeven zijn voorts de afgesneden en onteigende genummerde percelen met de namen van de eigenaren. In verband met de veranderde loop van de nieuwe trekvaart zijn op deze kaart de nummers 205 en 206 vervallen en zijn toegevoegd de nieuwe afgesneden en onteigende percelen met de letters j en k. (Oud archief Hoogheemraadschap van Rijnland, kaart .nr. A 4657)
De Hogeveense molen, gebouwd in 1655. Foto 2007.
De Lageveense molen. In 1890 brandde de oude molen af en werd deze wipmolen met scheprad gebouwd. Foto 2007.
Aanbestedingskosten en aantal werkzame arbeiders
Voor het graven en aanleg van de trekvaart etc., met een totale lengte van 7540 roeden (28,4 kilometer), diende Leiden er 3840 roeden voor haar rekening te nemen met een totale aanneemsom van 75.217 gulden (gemiddeld 19,58 gulden per roede). Haarlem moest voor 3375 roeden, exclusief de 325 roeden onder Hillegom en Vogelenzang, welke in een eerder stadium waren aanbesteed, 69.560 gulden op tafel leggen (gemiddeld 20,61 gulden per roede). Het graven van de 325 roeden door de duinen, een bijzonder tijdrovend en daarmede ook een kostbare aangelegenheid, kostte de stad Haarlem maar liefst 39.170 gulden (120,52 gulden per roede) en daarmede uitkomende op een totale uitgave van 108.730 gulden.
Zoals eerder opgemerkt dienden uiterlijk op 15 maart 1657 de aannemers met hun werkzaamheden een aanvang genomen te hebben. Op het gehele traject tussen Leiden en Haarlem moeten derhalve op ongeveer hetzelfde tijdstip een respectabel aantal arbeiders hun eerste spade in de grond hebben gezet om het karwei op 15 juli 1657 geklaard te hebben. Op basis van voorhanden gegevens is een benadering te maken van het aantal werkzame personen.
Een parck van 100 roeden (376 meter) leverde de aannemer de vier maanden durende werkzaamheden gemiddeld een opbrengst op van ongeveer 2000 gulden. Indien aangenomen wordt dat hij als redelijke vergoeding voor ondernemersloon en afschrijving op zijn materialen 15% rekende, had hij derhalve te besteden aan arbeidsloon 1700 gulden. Uitgaande van 104 werkzame dagen gedurende de vier maanden, tegen een dagloon van een gulden, kostte een arbeider hem 104 gulden. Op basis van het totale beschikbare arbeidsloon van 1700 gulden betekende dit dat hij op een parck van 100 roeden lang ongeveer zestien arbeiders in dienst kon nemen om het werk rendabel voor hem te kunnen afsluiten. Gerekend met een totale te graven lengte van 7215 roeden (exclusief de 325 roeden onder Hillegom en Vogelenzang) kan de voorzichtige conclusie getrokken worden dat op 15 maart 1657 tegelijkertijd ongeveer 1150 arbeiders aan het immense zware karwei begonnen onder het motto vele handen maken licht werk.

